Fictief GGZ-gesprekstranscript Let op: volledig verzonnen testmateriaal. Sprekers: B: behandelaar / psycholoog C: cliënt P: partner sluit deel van gesprek aan B: Kun je vertellen waarmee je je hebt aangemeld? C: Ja, eh… vooral stress denk ik. Slecht slapen. Vol hoofd. Niet echt kunnen uitzetten. Dat is een beetje het korte antwoord. Maar ja, mijn vriendin zegt dat het niet alleen stress is. B: Wat zegt zij dan? C: Dat ik al heel lang niet mezelf ben. Kort lontje, afwezig. Dat ik thuis soort van… ja, leeg ben of geïrriteerd. Op werk doe ik dan nog wel alsof het gaat. B: En hoe lang speelt dit? C: Sinds afgelopen zomer echt erg. Of nou ja, misschien al langer. Ik zei eerst tegen de huisarts acht maanden geloof ik, maar als ik eerlijk ben was ik daarvoor ook al niet lekker in mijn vel. Misschien anderhalf jaar? Twee? Alleen niet constant even erg. B: Wat merk je concreet? C: Slecht inslapen, of juist midden in de nacht wakker. Vaak rond vier uur. Soms vijf. Dan meteen malen. Werk, geld, of ik dingen verkeerd heb gedaan. Dan neem ik me voor niet op m’n telefoon te kijken en dan doe ik het toch. En dan ben ik overdag kapot. Concentratie is slecht. Ik lees mails drie keer. In vergaderingen haak ik soms gewoon af. Niet zichtbaar denk ik, maar van binnen ben ik dan weg. B: Somber ook? C: Ja… hm. Niet de hele dag jankend somber of zo. Eerder vlak. Of zwaar. Alsof alles moeite kost. Dingen die ik normaal deed doe ik niet meer echt. Gitaar staat er maar. Sportschool al maanden niet. Vrienden app ik af of ik reageer laat. Dan denk ik ook: laat maar. Maar soms heb ik ook best een redelijke dag en dan denk ik weer dat ik me aanstel. B: Heb je nog plezier in dingen? C: Minder. Met mijn dochter wel soms, maar ook daar… ja, ik schaam me daar een beetje voor… als het druk is of lawaaiig, dan voel ik meteen spanning. Dan wil ik stilte. En dan voel ik me daarna weer een slechte vader. B: Je noemt spanning. Hoe ziet dat eruit? C: Druk op de borst. Hart gaat snel. Brok in mijn keel. Ik stel telefoontjes uit. Soms loop ik in de supermarkt en dan denk ik: ik moet hier weg. Niet dat ik flauwval, meer alsof alles te veel binnenkomt. Zweten ook. Maar ik noem dat zelf geen paniekaanval, want het zakt meestal ook weer. B: Heb je het gevoel veel te piekeren? C: Ja, non-stop bijna. Het is nooit echt één onderwerp. Werk is een grote, maar ook gezondheid soms. Niet hypochondrisch denk ik, maar wel: wat als ik omval, wat als ik m’n baan verlies, wat als mijn vriendin klaar met me is. Allemaal wat-als. B: Kun je daar grip op krijgen? C: Tijdelijk. Door lijstjes te maken. Of laat doorwerken. Of bier drinken, eerlijk gezegd. B: Daar komen we zo op terug. Eerst even stemming: voel je je depressief? C: Ja… nou ja, misschien. Ik weet niet. Ik ben vooral moe en opgebrand. Maar er zijn ook dagen dat ik wel functioneer. Dus ik weet niet of dat dan depressie heet. Ik heb niet dat ik de hele dag in bed lig. B: Depressie hoeft niet te betekenen dat je de hele dag in bed ligt. C: Nee, dat snap ik. Dan waarschijnlijk wel deels. Mijn hoofd zegt vaak dat ik tekortschiet. Dat ik mensen teleurstel. Op werk doe ik alsof ik alles onder controle heb, en thuis klap ik dicht of word ik snauwerig. B: Schuldgevoelens? C: Ja. Veel. Over kleine dingen ook. Als ik een appje niet stuur. Of als mijn dochter vraagt of ik meedoe en ik zeg over tien minuten en dat dan niet doe. B: Hoe is je energie? C: Laag. Best wel elke dag. Maar gek genoeg kan ik soms ineens heel veel doen, meestal als ik achterloop of in paniek raak. Dan slaap ik korter, werk ik door, ben ik gejaagd, maar dat voelt niet fijn of euforisch of zo. Meer opgefokt. B: Heb je weleens periodes gehad waarin je je uitzonderlijk goed voelde, weinig slaap nodig had, veel plannen had, heel impulsief werd? C: Niet echt goed, nee. Eerder gejaagd. Ik kan dan wel denken: nu ga ik alles fixen. Maar na twee dagen stort ik weer in. B: Helder. Hoe is je eetlust? C: Wisselend. Overdag vergeet ik te eten. ’s Avonds snaaien. Toen het vorig najaar heel slecht ging ben ik volgens mij vier kilo kwijtgeraakt. Of vijf. Daarna ook weer wat erbij. Mijn vriendin let daar meer op dan ik. B: Middelengebruik? C: Alcohol vooral. Geen drugs eigenlijk. Wiet heel af en toe vroeger, nu niet. Alcohol… ik zei bij de huisarts “paar biertjes in het weekend”, maar dat was wel te netjes gezegd. Meestal donderdag ook al. En als ik gespannen ben drink ik sneller. Niet elke dag veel, maar wel regelmatig te veel. Geen ochtenddrinken of zo. Meer om uit te zetten. B: Hoeveel is te veel? C: Tja. Drie, vier. Soms meer. Op vrijdag misschien zes. Als er voetbal is of als ik ruzie heb gehad. Daarna slaap ik nog slechter, dus dat helpt niet echt. B: Roken? C: Nee. B: Medicatie? C: De huisarts heeft een tijdje oxazepam gegeven, heel beperkt. Dat hielp wel, maar ik vond het ook eng dat ik er rustig van werd. Alsof ik dacht: o, dus zo kan het ook. Daarom zuinig mee gedaan. En later sertraline gestart. Eerst 25, toen 50. Daar was ik misselijk van. Ik ben daar zelf een paar dagen mee gestopt omdat ik dacht dat het niets deed, toen weer begonnen. Dus niet super consequent geweest. B: Gebruik je het nu? C: Nu wel. Tenminste de laatste… twee weken wel elke dag. Daarvoor rommelig. Ik geloof 50 mg nog steeds. Of 75? Nee wacht, de huisarts wilde naar 100 maar dat heb ik niet gedaan volgens mij. Ik moet dat nakijken. B: Oke. Heb je ooit psychologische behandeling gehad? C: Ja maar dat telde niet echt, vind ik. Toen ik 23 of 24 was, via de huisarts maatschappelijk werk. Paar gesprekken na de dood van mijn moeder. Of niet direct daarna trouwens, later pas. Ik vond het toen vooral irritant dat ik moest praten over gevoelens. En in coronatijd heb ik één of twee gesprekken met een praktijkondersteuner gehad omdat ik toen ook slecht sliep. Daarna laten zitten. Oh en ooit relatietherapie-achtig, maar dat was meer een intake en toen zijn we niet doorgegaan. B: Je moeder is overleden toen jij jong was? C: Toen ik negentien was. Kanker. Nou ja, ziekbed duurde lang, dus eigenlijk begon dat eerder al. Ik deed toen alsof ik er nuchter in was. Mijn vader ook: doorgaan. Niet teveel gedoe. Mijn zus huilde meer, ik regelde dingen. Dat is wel een beetje mijn stijl geloof ik. B: Hoe was het gezin waarin je opgroeide? C: Prima hoor. Gewoon normaal. Niet mishandeld of zo. Alleen weinig praten. Vader hard werken, weinig emoties. Als je een probleem had dan was het: oplossen, niet zeuren. Mijn moeder was warmer maar ook bezorgd. Die kon veel piekeren. Dat heb ik misschien meer van haar. En thuis moest je het wel goed doen. School ging makkelijk, dus dan werd dat ook verwacht. Niet letterlijk streng streng, maar falen voelde niet echt als optie. B: Hoe was je als kind? C: Rustig, braaf denk ik. In mijn hoofd druk. Veel nadenken. Wilde het goed doen. Vond spreekbeurten verschrikkelijk, maar ik deed ze wel. Ik denk dat mensen mij sociaal prima vonden, maar echt mezelf laten zien… nee. Conflict vermijden ook. Tot het zich opstapelt en ik ineens wel uitval. B: Dat klinkt herkenbaar voor nu. C: Ja. Op werk ben ik degene die nog even iets oppakt. Thuis ben ik dan op. B: Wat voor werk doe je? C: Projectcoördinatie in de IT. Veel schakelen, deadlines, mensen tevreden houden. Op papier past dat wel bij me, maar de laatste tijd trek ik het minder. Ik stel dingen uit en compenseer dan laat. Collega’s denken volgens mij dat het goed gaat. Mijn leidinggevende heeft één keer gevraagd of het wel ging omdat ik stiller was in overleg. B: Ziekgemeld geweest? C: Nee. Één keer een week “griep”. Dat was niet echt griep denk ik. Meer… op. Maar officieel niet psychisch ziekgemeld. B: Heb je gedachten dat het leven niet meer hoeft? C: Geen plannen. Dat wil ik wel duidelijk zeggen. Ik ga mezelf niks aandoen. Maar… na ruzie of als ik heel moe ben heb ik wel gedacht: als ik morgen niet wakker word, zou dat ergens ook rust geven. Daar schrik ik dan van, want ik wil mijn dochter niet achterlaten. Dus nee, ik wil niet dood, maar ik wil soms wel dat het stopt. B: Heb je ooit een poging gedaan? C: Nee. Niet echt. Als puber wel eens in mijn arm gekrast na ruzie thuis, maar dat was meer woede. Dat is één keer of een paar keer geweest, ik weet het niet meer precies. Niet serieus suïcidaal. B: Heb je stemmen gehoord of het gevoel gehad dat mensen je achtervolgen of dat de realiteit veranderde? C: Nee. B: En trauma’s, los van het overlijden van je moeder? C: Ik weet niet of dat zo heet. Nee, geen misbruik of geweld. Wel veel spanning thuis in die periode. En mijn vader zakte toen een beetje in, maar daar werd niet over gepraat. Dus ik voelde me verantwoordelijk voor van alles. B: Hoe ga je doorgaans met moeilijke gevoelens om? C: Vermijden. Werken. Scrollen. Bier. Terugtrekken. Soms hardlopen — nou ja, deed ik vroeger. En heel veel nadenken zonder dat het iets oplost. B: Praat je erover met anderen? C: Nauwelijks. Mijn vriendin zegt dat ze alles uit me moet trekken. Vrienden denken denk ik dat ik stabiel ben. Mijn vader zou meteen zeggen dat iedereen stress heeft. B: Hoe zou je je persoonlijkheid zelf omschrijven? C: Plichtsgetrouw. Perfectionistisch op irritante manier. Niet dat mijn huis supernetjes is, trouwens, dus niet zo’n perfectionist. Meer in mijn hoofd: ik mag geen fouten maken. Ik ben conflictmijdend tot ik ineens ontplof. Ik kan best empathisch zijn denk ik, maar ook afgesloten. Moeilijk om hulp te vragen. Snel schaamte. B: En hoe zien anderen dat? C: Betrouwbaar, rustig, denk ik. Mijn vriendin zou zeggen: controlefreak die alles binnenhoudt en dan onverwacht uitvalt. Later in hetzelfde gesprek, partner sluit aan P: Ik vind het lastig om dit te zeggen waar hij bij is, maar hij maakt het zelf vaak kleiner dan het is. Hij zegt “het gaat wel”, maar hij is al lang niet oké. Hij slaapt slecht, drinkt meer dan hij toegeeft, en als hij thuis is is hij vaak afwezig of snel boos. C: Zo erg is het ook weer niet. P: Kijk, dit bedoel ik dus. Het is niet elke dag drama, maar het is wel al heel lang. En hij trekt zich terug. Als ik vraag wat er is, zegt hij “niks”. En dan later ontploft hij over iets kleins, vaatwasser, geluid, wat dan ook. B: Wanneer merkte jij dat het echt misging? P: Vorig voorjaar al. Misschien eerder. Na die reorganisatie op zijn werk werd het erger. En na de geboorte van onze dochter is hij ook veranderd, al was dat natuurlijk ook slaaptekort. Maar het is daarna niet echt terug normaal geworden. C: Die reorganisatie was wel een ding ja. Nieuwe manager, onduidelijke rol. Maar ik heb ook wel eens gedacht dat het vooral sinds mijn vader ziek werd vorig jaar weer erger werd. Niet heel ernstig ziek trouwens, maar wel ziekenhuisgedoe. Dat gooide me meer om dan ik wilde toegeven. B: Dus meerdere mogelijke aanleidingen. P: Ja. En verlies van zijn moeder speelt volgens mij nog steeds veel meer dan hij zegt. C: Misschien. Ik denk daar niet dagelijks aan. P: Nee, maar wel als je moe bent of gedronken hebt, dan komt dat er ineens uit. B: Hoe is hij in contact met jullie dochter? P: Lief. Echt wel lief. Alleen snel overprikkeld. Als zij gilt of huilt en hij heeft al een drukke dag gehad, dan zie je hem dichtgaan. Daarna voelt hij zich schuldig. C: Dat klopt wel. B: Is er geweld thuis? P: Nee. Niet fysiek. Wel snauwen, deuren hard dicht, dat soort dingen. C: Ja. Nooit geslagen of zo. B: Goed dat dat helder is. En middelengebruik volgens jou? P: Geen drugs. Alcohol meer dan goed voor hem is. Niet per se elke avond ladderzat, maar wel te vaak om spanning te dempen. C: Ja okay. Vervolgcontact, week later B: Vorige keer spraken we over stemming en spanning. Hoe was deze week? C: Raar. Twee dagen redelijk. Toen dacht ik: zie je wel, er is niks aan de hand. Daarna weer compleet vastlopen. Dinsdagnacht bijna niet geslapen. Woensdag op kantoor een soort… nou ja niet aanval, maar wel zweten, hartslag hoog, gevoel dat ik weg moest uit die open werkruimte. B: Wat deed je toen? C: Naar buiten gelopen. Gedaan alsof ik belde. Daarna weer naar binnen. Niemand merkte iets volgens mij. B: En wat ging er door je hoofd? C: Dat ik door de mand zou vallen. Dat iemand zou zien dat ik het niet trek. Dat ik niet eens normaal kan werken. B: Veel zelfkritiek. C: Altijd. B: We hadden het over jeugd en hoe gevoelens weinig ruimte kregen. Herken je dat je nu nog steeds vooral functioneert en pas later voelt wat iets met je doet? C: Ja. Dat is wel pijnlijk raak eigenlijk. Toen mijn moeder ziek was deed ik boodschappen, administratie, weet ik veel. En nu doe ik dat op werk en thuis ook. Zolang ik bezig ben gaat het. Als ik stilval niet. B: Je noemde ook dat je soms veel werkt en weinig slaapt. Ik wil nog een keer checken: zijn er perioden van meerdere dagen met heel weinig slaap zonder moeheid, meer geld uitgeven, impulsiviteit, overmatig zelfvertrouwen? C: Nee, niet echt. Ik ben dan juist gespannen en alsnog moe. En ik geef niet ineens duizenden euro’s uit of zo. Hooguit online dingen bestellen waar ik later spijt van heb, maar niet extreem. B: Goed. Hoe ervaar je de sertraline nu? C: Maag is rustiger dan eerst. Libido nog lager denk ik, maar dat was al niet best. Misschien iets minder scherpe pieken, maar moeilijk te zeggen want ik drink ook minder sinds vorige week. Nou ja, minder… twee dagen niet, daarna weer wel. B: Hoeveel? C: Zaterdag vier bier. Dat is voor mijn doen al minder. B: Oxazepam nog gebruikt? C: Eén keer. Halve tablet. Toen sliep ik wel. B: Heb je het gevoel afhankelijk te willen worden van rustgevende medicatie? C: Nee, juist bang daarvoor. B: Hoe kijk je naar hulp? C: Dubbel. Ik wil wel dat het stopt. Maar ik vind het ook ongemakkelijk om hier te zitten en over mezelf te praten. En een deel van mij denkt nog steeds dat ik me moet herpakken en niet moet zeuren. B: Dat klinkt als iets wat je hebt meegekregen. C: Ja. Nog een fragment uit hetzelfde vervolgcontact B: Ik wil nog iets systematisch nalopen. Heb je ooit therapie gehad gericht op angst of depressie? C: Niet echt. Die POH-ggz heeft ooit ademhalingsoefeningen gegeven, maar daar deed ik dan een week iets mee en daarna niet meer. Maatschappelijk werk vroeger ging meer over verlies geloof ik, maar ik vond dat toen onzin. Misschien was ik er niet aan toe. B: Psychiaters gezien? C: Nee, behalve medicatie via huisarts. Geen opname, geen crisisdienst, niks van dat alles. B: Familiegeschiedenis van psychische klachten? C: Mijn moeder was een piekeraar. Of angstig misschien, maar nooit diagnose voor zover ik weet. Mijn vader drinkt meer dan gezond is, denk ik, maar functioneert. Een oom van moederskant had depressies, is volgens mij ook aan antidepressiva geweest. Niet helemaal zeker. B: Persoonlijkheidsmatig hoor ik veel perfectionisme, remming, plichtsgevoel, moeite met affectregulatie, conflictvermijding en tegelijk opkroppen. Herken je dat? C: Ja. Al vind ik persoonlijkheid meteen zo zwaar klinken. Alsof ik kapot ben. B: Dat bedoel ik niet. Meer als patroon. C: Dan ja. Los, ongestructureerd slot van het intakeverslag / aantekeningenstijl in dialoog B: Zijn er dingen die klachten tijdelijk verminderen? C: Hardlopen hielp vroeger. Structuur. Buiten zijn. Als ik goed slaap kan ik meer hebben. Soms helpt het als mijn vriendin gewoon naast me zit zonder vragen. Maar vaak kies ik toch voor terugtrekken. B: Wat maakt dat je geen hulp vroeg eerder? C: Schaamte. En omdat ik dacht dat het vanzelf overging. Of dat ik het niet “erg genoeg” vond. Er zijn altijd mensen die zieker zijn. B: En nu? C: Nu lukt dat verhaal niet meer helemaal. Ik merk dat ik het thuis aan het verliezen ben als ik zo doorga. B: Wat hoop je dat behandeling oplevert? C: Minder spanning. Minder malen. Beter slapen. Niet meer zo snel ontploffen of dichtklappen. En ik wil weer gewoon aanwezig zijn thuis, in plaats van half weg of opgefokt. B: Nog iets wat belangrijk is en niet besproken? C: Misschien dat ik naar buiten toe best goed overkom. Dat maakt het lastig. Mensen geloven het niet snel. Ik zelf ook niet altijd. B: Dat is juist relevante informatie.